Op 17 september 2007 deed het Europese Gerecht van Eerste Aanleg uitspraak in één van de meest controversiële zaken van mededingingsrecht aller tijden. In zijn arrest bevestigde het Gerecht de beslissing van de Europese Commissie dat Microsoft het Europese mededingingsrecht geschonden heeft door misbruik van haar dominantie marktpositie te maken.Op 3 maart 2004 had de Europese Commissie geoordeeld dat twee verschillende aspecten van de ondernemingspraktijken van Microsoft als misbruikende gedragingen konden worden gekwalificeerd.
Een eerste misbruik bestond er volgens de Commissie in dat Microsoft opzettelijk de interoperabiliteit tussen pc’s die het Windows besturingssysteem draaien en servercomputers die een niet-Microsoft werkgroep serversoftware draaien aan banden legde, door haar concurrenten geen informatie te verstrekken over de Windows software. Een tweede misbruik bestond er volgens de Commissie in dat de integratie van Windows Media Player in het Windows besturingssysteem een onrechtmatige koppelverkoop uitmaakte, waardoor de mededinging op de markt van mediaspelers wordt verstoord.
De Commissie beval Microsoft om maatregelen te nemen opdat een einde aan deze misbruiken zou worden gesteld. Microsoft kreeg van de Commissie eveneens een nooit eerder gezien geldboete opgelegd van € 497 miljoen. Microsoft stelde dienvolgens een annulatieberoep in bij het Gerecht van eerste aanleg, die de beslissing van de Europese Commissie vrijwel integraal bevestigde.
Interoperabiliteit
In essentie komt het misbruikende gedrag van Microsoft er op neer dat zij aan concurrenten geen licentie wil verstrekken op haar producten waardoor deze concurrenten zelf geen eigen producten kunnen ontwikkelen die onder het Windows besturingsysteem kunnen draaien. Een conflict dus tussen enerzijds het mededingingsrecht en anderzijds de contractsvrijheid en de intellectuele eigendom.
Het Gerecht stelde dat conform vaststaande rechtspraak het aan ondernemingen in principe vrij staat om hun handelspartners te kiezen, maar dat onder bepaalde omstandigheden de weigering van een onderneming die een dominante marktpositie heeft om een licentie te verstrekken een misbruik kan uitmaken. Opdat een dergelijke weigering door een houder van een intellectueel eigendomsrecht kan gekarakteriseerd worden als een misbruik van dominante marktpositie dient aan drie voorwaarden te zijn voldaan: (i) de weigering moet betrekking hebben op een product of dienst die onontbeerlijk is voor het uitoefenen van een activiteit op een naburige markt, (ii) de weigering moet van die aard zijn dat elke effectieve mededinging op die markt wordt uitgesloten, en (iii) de weigering moet het verschijnen van een nieuw product verhinderen waarvoor een potentieel vraag bij de consument is. Enkel indien hiervoor een objectieve rechtvaardiging zou kunnen aangevoerd worden, is er geen sprake van een misbruik.
Het Gerecht bevestigde het standpunt van de Commissie dat in casu aan deze drie voorwaarden was voldaan. Het Gerecht oordeelde dat de weigering door Microsoft niet kon gerechtvaardigd worden omwille van het feit dat de desbetreffende technologie door intellectuele eigendomsrechten wordt beschermd. En dergelijke rechtvaardiging zou immers bovenstaande principes neutraliseren. Het Gerecht wees er wel op dat interoperabiliteitsinformatie die Microsoft dient te verstrekken enkel op de specificaties van bepaalde Windows protocollen slaat en niet op de broncode zelf van Windows. Microsoft dien dan ook geenszins haar broncode aan concurrenten mee te delen.
Koppelverkoop
Volgens het Gerecht maakt een koppelverkoop naar communautair recht een misbruik uit indien aan vier voorwaarden is voldaan. (i) Vooreerst dient een onderneming een dominante marktpositie te hebben voor het koppelende product. Er kan volgens het Gerecht weinig discussie bestaan over het feit dat Microsoft een dominante positie heeft op de markt van besturingssoftware voor Pc’s. (ii) Daarnaast dienen het koppelende product en het gekoppelde product twee verschillende producten te zijn. Windows en Media Player zijn volgens het Gerecht twee totaal afzonderlijke producten: het eerste is besturingssoftware, het tweede toepassingssoftware. Zo bestaan er ook andere bedrijven zoals RealNetworks die concurrerende producten aanbieden los van een besturingssysteem en ontwikkelt Microsoft Media Player ook voor andere besturingssystemen. (iii) Bovendien dienen consumenten geen keuzemogelijkheid te krijgen om het koppelende product te kopen zonder het gekoppelde product. Volgens het Gerecht kan er geen discussie over bestaan dat de consument niet in staat zijn om Windows te kopen zonder tegelijk ook Media Player te verkrijgen. Het feit dat Microsoft geen afzonderlijke prijs voor Media Player vraagt of de consumenten niet verplicht zijn om deze mediaspeler te gebruiken, is niet relevant.(iv) Tot slotte moet deze praktijk de mededinging verhinderen. Deze koppeling heeft volgens het Gerecht het onvermijdelijke gevolg dat het voor derden die ook mediaspelers aanbieden een zeer zware opdracht wordt om te concurreren. Dit zou dan ook kunnen leiden tot een vermindering van mededinging op een dergelijke wijze dat het verder bestaan van een effectieve mededingingstructuur in de nabije toekomst niet meer zou kunnen verzekerd worden.
Aangezien aan deze vier voorwaarden was voldaan bevestigde het Gerecht de beslissing van de Europese Commissie dat deze koppelverkoop misbruikmakend was. Het Gerecht wijst erop dat Microsoft het recht blijft behouden om versies van Windows aan te bieden mét Media Player maar dat consumenten de mogelijkheid moeten krijgen om Windows ook te kunnen kopen zonder deze mediaspeler. Microsoft dient dan ook enkel een afzonderlijke versie van Windows op de markt te brengen zonder Media Player.
Met deze uitspraak probeert het Europese mededingingsrecht een balans te creëren tussen enerzijds het aanmoedigen van innovatie via de bescherming van de creatieve inspanningen van ontwikkelaars en anderzijds het aanmoedigen van innovatie door derde partijen toe te laten om gebruik te maken van deze inspanningen. Het blijft afwachten of Microsoft beroep tegen deze beslissing zal aantekenen bij het Europese Hof van Justitie, maar in ieder geval zullen de gevolgen van deze uitspraak nog lange tijd in het communautaire mededingingsrecht blijven nazinderen.
Lees het arrest hier.

0 reacties:
Een reactie plaatsen